[laatste toevoegingen: 11 mei 2004: nadere precisering van de datering van het manuscript en het bewijs daarvan in noot 1
5 mei: toevoeging foto van het paleis Davila te Jerez de la frontera;
18 februari: verifikatie van het manuscript in het ARA [inventaris no. 1.11.01.01, bestanddeel 255-8] toonde aan dat het handschrift dat van Van der Haghen zelf is en niet dat van zijn advocaat, Van Buchell, zoals ik tot nu veronderstelde en aangaf.
1 jan:toevoeging BMHG p. 379-382; 25 dec.: BMHG p. 417-421; 23 dec. 2003, p.401 & 402 & hyperlinks]

"Steven van der Haghen's Avonturen", geschreven tussen midden 1608 en augustus 1611 [noot 1]door Steven persoonlijk, waarschijnlijk in opdracht van zijn advocaat, Aernt van Buchell, (eveneens bekend onder zijn Latijnse naam: Arnoldus Buchelius) in het kader van zijn geschil met de VOC over zijn salaris en andere beloningen:
* Amersfoort en Vlaanderen (1573-1575)
* In Andalusie (1575 - 1578)
* Zuid-Italie en opnieuw Spanje (1579 - 1584)
* Ontmoeting met Reynier Petersen van Twisch (1585), aanloop tot de eerste Straatvaart
* De eerste Straatvaart met "De Witte Leeuw" (begin 15856- zomer 1587)
* Tweede Straatvaart voor reders uit Hoorn, de Spaanse armada (jan.1588 - juni 1589)
* 3de en 4de Straatvaart voor reders uit Amsterdam (1590 - St. Jan 1591)
*
Aanbieding van verzoekschriften aan koning Philips II (1592) ivm in beslag genomen schepen
* Terugreis van Spanje naar Utrecht, via Sardinie, Genua, Chur, Ravensburg, Heidelberg, Keulen (sept.1592 - febr.1593)
* De vaart op Guinea en de 1ste en 2de vaart op Oost-Indie (1597- 1603)
uit :
Bijdr.en Mededelingen v.h. Hist. Genootschap,
Jaargang VI, 1883, p. 377 - 421:

Steven van der Haghen's
Avonturen

Van 1575 tot 1597.
Door hem zelven verhaald.
Medegedeeld door P.A.Tiele
Naar het HS op het Nederl. Rijks-Archief,
(noot Tiele: Het is uit de nalatenschap van Arn. van Buchel [1565 - 1641] afkomstig en
berustte vroeger op het Prov. Archief te Utrecht, in denzelfden band als de stukken
over O-Indie, waarvan enkele zijn hiervoor zijn afgedrukt. Bijdr. en Meded. VI.)

[opmerking: een eerste vergelijking van enkele pagina's van het manuscript en de corresponderende tekst in Tiele's transcriptie toonde talrijke kleine verschillen aan zoals de omissie van woorden; verder is niet aangegeven dat bepaalde tekstgedeeltes en datums in de kantlijn staan en dus kennelijk latere toevoegingen zijn. Een nieuwe transcriptie dient overwogen te worden.]


[Amersfoort en Vlaanderen]

Steuen vander Haghen geboren tot Amersfoort int Sticht van Vtrecht, daer hij bij sinen bestevader genaempt Gosen Lubbertsen Surkestein woonde, die hem school hielt opt Latijn. Out weesende ontrent thien jaren worde met eenen bode gesonden tot Brug [Brugge] in Vlaenderen, daer sijnen vader Andries vander Haghen wonachtich was, die hem ontboden hadde. Daer comende worde daer weinich tijts opt schole gehouden, opt schriuen, daer hem die vader weder aff nam ende reysde met hem door Yperen sijnen 2 ooms te versoecken, ende vandaer worde gebrocht tot Doornyck, daer hij bestelt worde voor een jaer lanck bij een sijde lakencoper, wonende op die marckt genaempt Pierre Gui. Die tijt om weesende so worde hij begeert van sijnen oom Willem vander Haghen dat hij bij hem wonen soude tot Yperen, den welcken in die tijt veel dingen in factorie dede voor die van Antwerpen, also doen der tijt veel goederen van Antwerpen op Spangien gaende ende comende al duer Vlaenderen passeerden op Callis in Vranckrijck ende wederom op Antwerpen, dat al daer Yperen moeste passeren; ende den jongen ontrent 8 ofte 9 maenden bij sinen oom gewoont hebbende daer veel coopluyden quamen die van Spangien ouer Calis quamen, daer hij veel aff hadde horen discoereren watten lant dat Spaengien was, ouer sulcx den jongen daer op vlammende die grooten sin creech om indat lant te gaen woonen. Ende also sijnen oom een seer streng man was, so conde hij daer niet langer bij woonen; ende hebbende vergadert eenich drinckgelt dat hij van diuersche coopluyden gecregen hadde, so ginck hij duer sonder ymant vanden huise yt te seggen, meenende te gaen wederom na sijn vaders tot Brugge, maer veranderde van sinnen, ouermids sorgende voor slagen. Nam sijnen wech ouer Duinkercken naer Calis in Vranckrijck, alwaer hij wiste dat schepen lagen die naer Spangien wilden, ende tot Calis
[hieronder een afbeelding van Calais eind XVIde eeuw, bron: British Library]
comende ginck buiten die waterpoorte om naer die schepen te gaen sien daer 2 ofte 3 al gereet lagen, wachtende op die wint om tseil te gaen ende sprack een vandie schippers aen vandie schepen, hem biddende oft hij met hem mochte varen na Spangien, die seyde: wel jongen, wat wout ghij in Spangien doen, ghij sijt noch veel te jonck, ende vraechde waer dat hij vandaen was ende hoe dat hij daer ofte met wien hij daer gecomen was, want hij hoorde aen die spraecke dat hij geen vlaeminck en was. Den jongen seyde dat hij was van Amersfoort, een stadt bij Vtrecht [p.379] gelegen, ende dat hij duer die crijch also ginck sweruen ende daerom sijn ouders vandaer getrocken waren. De schipper seyde : ick hoor wel ghij sijt een boeffken ende bent u ouders ontlopen; die jongen antwoorde dat hij sijne ouders niet ontlopen en was, maer dat hij begeerde in Spaengien te woonen; den schipper die docht dat hij die jongen mee naem, dat hij daer niet veel gelts aff hebben soude, ouer sulcx seyde hij : daer sijn noch 4 ofte vijff coopluyden van Antwerpen die meest al in Spaengien woonen, die sullen nu mee varen, gaet en spreeckt die aen, die sullen u mogelick wel mee nemen, die ghij nu vinden sult in den Naem Jesus, daerse ter herberge sijn. Den jongen daer ginck vragen off daer coopluyden thuis waren die na Spaengien wilden, seyden ja, so vraechden hij oock om logys daer te hebben, seyden hem dat hij binnen comen soude, ende in huis weesende begon hem te voegen bij die coopluyden die naer Spaengien souden, om oft te passe quam haer wat gedienstch te weesen, die hem vast aensagen ende int spreken verstondense dat hij geenen vlaminck noch oock geen Brabander was. So worde hem van een vandie coopluyden gevraecht: wel manneken, van waer sijt ghij vandaen, met wie sijt ghij hier gecomen ende waer wilt ghij heen; daer op die jongen antwoorde dat hij was van Amersfoort van daen in Hollant bij Vtrecht, ende om die groote crijch die daer was hadden sijn ouders moeten vluchten, ende socht also sijn auontuir, ende dat hij wel soude mee begeeren in Spaengien te varen, ende dat die heeren coopluiden hem daer wel thoe hellepen conden, bij aldien dattet haer belieffde, ende haer dienaer wel wilde weesen, maer om die schipper veel gelts te geuen dat en had hij niet. Die coopluyden met malcanderen sprekende van die sake, resolueerden om die jongen mee te nemen,[p.380] want sij sagen die jongen voor een goet mans kint aen, ende een van die coopluyden seyde: jongesken, wij souden u wel me nemen bij aldien dat wij wisten dat ghij u wel dragen ende schicken sout, daer op die jongen grote beloften dede als dat hij hem wonder wel schicken ende dragen soude, ende haer dienen wilde, ende beloofden hem op die conditie mee te nemen, ende wilden hem, in Spaengien comende, twaer in sinte Lucas [San Lucar de Barrameda] ofte Sevilien bij een goet meester bestellen, ende begeerden dat hij voort aen bij haer in die herberge soude blijuen ende sonde oock geen gelt verteeren, ende vraechden hem al voort hoe dat sijnen naem was. Antworde Steuen Andriessen, niet duruende vander Hagen noemen, omdat sijnen oom Willem vander Haghen daer so wel bekent was; ende die jongen was seer blijde dat hij so wel te rechte gecomen was om mee na Spaengien te varen, ende hadde wel gewilt dat die schepen al voort terstont tseil gegaen hadden, want hij hadde groote sorge bi aldien dattet daer lange duirde, dat sijnen oom tot Yperen soude comen te weten dat sijnen neue tot Calis waer, want hij niet en twifelden ofte men soude hem ouer al soeken, ende hem vindende weederom thuis doen comen. Ontrent 3 ofte 4 dagen daer naer, den jongen buiten die Waterpoorte bij die schepen ginck wandelen; gaende wederom naer die poorte so sach hij van verre sijnen oom Willem vander Hagens sone Guillame vander Hagen, maer den jongen die meende hem te ontschuilen achter een groot steenen cruis onder met trappen; maer twas te vergeefs, want hij hadde dien jongen al int oge ende quam also voor den jongen staen noch al geleerst ende gespoort, daer hij op die trap vant cruis sat, ende seyde: wel jonckerken hebbe ick u hier, wat ist dat ghij hier doet ende waerom sijdi also van uwen oom gegaen? Den jongen die seer droeue [p.381] ende verslegen was van daer so haest gevonden te weesen, wist niet veel anders te antwoorden dan omdat sijnen oom so quaet was ende hem geslagen hadde; die neue Guillame van der Hagen seyde: nu wel aen, uwen oom ende sal u niet meer slaen ende morgen moet ghij wederom; die jongen antwoorde dat hij niet weer bij sijnen oom wonen wilde maer dat hij naer Spaengien soude varen; die neue seyde: ghij lecker, wat sout ghij in Spaengien doen, men heeft met u wel 7 ofte 8 dagen lanck genoech te doene gehadt met u te soeken al tlant duer en sout ghij nu noch niet wederom bij uwen oom willen? Die jongen die gans gesint was na Spaengen te varen wilde niet weer bij sijnen oom, sorchde oock voor s1agen; ende Guillame vander Hagen die was oock gelogiert indie herberge vanden Name Jesus, alsoot sijn oude gewoonlicke herberge daer was; siende dat den jongen sijnen neue niet wederom wilde ende [hij hem] niet bepraten en conde, so docht hem goet die saken die coopluyden aen te geven die daer gelogiert waren, want het waren sijne groote vrienden ende bekenden van sijn vaders wegen want hare goederen die na Spaengien gingen ende wederom van Spaengien tAntwerpen al aen haer vers ...(?) quamen, die alles voort bestelden; ende also worden die saken vandie jongen die coopluyden van hem aengedient ende gerecommandeert datse hem wilde mee nemen, doende daer meede oft sijn selve waer. Die coopluyden antwoorden datse met malcanderen die jongen al aengenomen hadden om tbeste daer meede te doen, ende begonnen om die sake te 1achen seggende: wat dunckt u van dat geselleken, theeft ons wijs gemaeckt dattet van Amersfoort was, ende dat sijne ouders om die crijchs wille hadden moeten vluchten ende bedoruen waren, maer wij sagent voor een goet mans kint aen, ende daerom hebbent bij ons gehouden, ende [p.382] hebbent oock al belooft mede tot sinte Luicas te nemen, om aldaer met die jongen tbeste te doen. Ende also worde Steuen van der Hagen van Guillame van der Hagen voort gerecommandeert, seggende: tis mijn ooms sone, wat ghij hem doet, maakt rekeninge dattet mijnen vader geschiet, want het schijnt dat desen jongen gans gesint is met V E. die reyse aen te nemen. Want hem docht alsulcke jongens met gewelt te houden mocht noch al anders lucken, want nademael de jongen na Spaengien wilde en conde voor hem geen beter conditie beramen als met sulcke goede vrinden. Die coopluyden, die nu het rechte bescheit hadden van de jongen ende wiens sone dat hij was, beloofden met hem te doen als met haer eygen kindt, ende worde van die tijt aen wel getracteert, latende hem mee aen die tafel eten, ende die neue ginck oock bij die schipper daer hij mee varen sonde ende maecktent met hem; enfijn, die comste van die neue was die jongen goet, alhoewel dat hij hem meende te ontschuilen, ende heeft van sijne neue sijn affscheit genomen, hem bedanckende van alles goets, die weederom nae Yperen reedt ende aldaer die tijdinge brengen [bracht]


[In Andalusie 1575 - 1578]


[onderstaand gedeelte is door mij in modern Engels vertaald; the folowing part has been translated by me into modern English ]

dat den jongen Steuen van der Hagen naer Spaengen was. Ontrent 3 ofte 4 dagen daer naer, wesende indie maent van October @ 1575, cregen ooste wint, daer mede tseil gingen ende quamen den 28en dach daer naer in de maent van November [tot] sinte Luicas; daer aen lant wesende so worde die jongen vandie coopluyden bestelt twee jaren lanck bij den Capitein Jan Heinsen ende was een linwadier [lijnwad{en}ier]= verkoper van lijnwaad oftewel linnengoed] , hebbende een schone winkel daer hij in staen soude, ende die coopluiden trocken opwaert aen naer Seuilien daer die somige woenden, latende die jongen bij sijnen meester, dat een seer goet man was, maer hij hadde een seer quaet spin van een wijff, daer niet mee om te gaen en was, en dede niet (p. 383) dan kiven ende smijten, also dat den jongen so lange die patientie niet conde hebben om die 2 jaren daer wt te woonen, maer bleeff daer so langhe tot ontrent pinsteren @ 1576, also hij doen al so veel spaens geleert hadde om hem voort selue te behellepen om voorder sijn auontuir te gaen soeken om een ander meester, ende nam also die reyse aen naer Seuilien. Daer comende gaende wandelen langes die straten, quam voorbij een grote coopmans winkel, daer een vandie coopluyden indie duere stondt die hem tot sinte Luicas bij die meester voor 2 jaren bestelt hadde, die hem oock wel haest gekent hadde; sondt sijnen winkelknecht achter aen, die quam seggen: jongen, ghij sult eens bij die coopman comen die gins indie duere staet; die jongen die wel wist wat hij hem vragen wilde, seyde dat hij met sijnen meester daer gecomen was daer hij voor om een bootschap geweest hadde, ende bij sinen meester geweest hebbende so soude hij comen; maer die jongen daer comende soude gecappittelt wereen, resulueerden datelicken in Seuilien niet te blijuen, maer sijnen wech te nemen na Xeres de la Frontera ende ginck voort vragende na die poort van Xeres, die hem geweesen worde, gaende voort aen ende quam tsauonts ter herberge bij die schaepherder, die hem logierden in een hutte ende hielt sijn auontmael tsauons met geite melck ende broot met versche kes; des morgens die schaepherder bedanckende voort alles goedts, ginck al voort aen tot dat hij quam indie stadt van Xeres, daer hij quam te woonen bij een rijck Cauallero ofte Ridder , genaempt Don Garcia Dauila,

paleis Davila, XVIde eeuw, Plaza Benavente, Jerez de Frontera;
waarschijnlijk het paleis waar Steven van der Haghen woonde van midden 1576 tot midden 1578
alleen de voorgevel is authentiek, erachter schuilt een volledig nieuw gebouw (foto d.d. april 2000, R.v.d.Hulst)

daer den jongen seer wel was ende hadden hem also gesint als een kint ten huise, daer hij al ouer de twee jaren bleeff woonen tot @ 1578, dat die Coninck van Portegael Don Sebastiaen met een groote armada tot Calis quam om te varen naer Barbarien. Also Calis (p.384) ende die stadt van Xeres maer vier milen van malcanderen leggen, so en was voor die jongen indie tijt geen langer blijuen in Xeres, versocht om consent van sijnen heer om alles te Calis te sien ende soude wederom comen ende creech consent. [De jongen], die nu al ontrent 15 jaren oudt was ende was al geresolueert om meede naer Barbarien te varen, ende tot Calis
comende worde hem die reyse van Barbarien ontraden omdat men seyde dattet daer seer heet was, ende soude oock veel honger ende dorst moeten lijden, ende van meer swaricheden die hem daer souden bejegenen, ende bleeff also binnen Calis in een neerlants huis dienen, daer hij den Coninck Don Sebastiaen diuersche rijsen sach met die gansche armada, als oock meede alle die triumphen vant stierjagen op die marckt, Juego de canas, dat is schermutseren te peerde, werpende malcanderen met grote spaensche roden , diese weten te wachten op haer adargas, dat sijn grote heere schilden, enfin, is fray om sien; ende sach oock Don Sebastiaen den Coninck tseil gaen met die schone armade, dat een lust om sien was. Maer den Coninck en had so heel bijster lang niet wech geweest ofte daer quam wederom quade tijding, als dat Don Sebastiaen met sijn gansche armade vandie Moren geslagen was, ende ouersulcx quamender al leedige hollansche schepen wederom, die al in dienst vanden Coninck daer geweest hadden, die oock al tselue seyden , dattet warachtich was dat den Coninck van Portegael met sijn gans heir geslagen was, dwelck daer binnen Calis groote droeffheit causeerde ende een grote schrickinge onder alle man; sorchden dat die Moren souden hare victorie achtervolgen ende vallen op Calis; die hollansche schepen die al wederom quamen wt Barbarien , hadden een groote syckte onder al tvolck ende was 'tromelisoen daer veel volcx aff storff, ende int huis daer die jongen woende worden ontrent 8 ofte 10 sieke hollansche schippers gebrocht die seer sieck waren, ende den huisheer wilde hebben datse biechten souden ende tsakerment ontfangen off se storuen, om geen brabelinge met die Inquisitie te hebben, ende daer en was niet een duitschen paep ofte moninck te crigen, wantse geen spaens en conden; derhaluen worden die pastoor te kennen gegeuen datter schippers waren die heel cranck waren, die haer biecht begeerden te spreken; die pastoor bij die crancken comende conde met haer niet een woort spreken, ouersulcx seyde die pastoor: dese jongen spreeckt seer goet spaens, die moet taelman weesen, ende die jongen worde bij die pastoor geroepen, die hem voor hielt dat hij tolck ofte taelsman moeste int biecht horen vandie crancke schippers, ende moest sijnen eedt doen ende belouen van tgene dat die crancke biechten souden nimmermeer ende van sijn leuendagen een woert daer aff voert te seggen; ende tbiechten ginck voort, ende die jongen Steuen vander Hagen, die was tollick tusschen die biechtvader ende die crancke schippers, die daer meest alle gader storuen, ende worden opt gewiede begrauen, dat anders sonder biechten gestoruen te weesen niet geschiet soude hebben. Den jongen die nu veel kennisse met die hollansche schippers gemaeckt hadde so docht hem nu goet weesen om wederom naer Hollant te varen, want die spaensche sprake conde hij wel ofte beter als sijn duits; derhaluen sprack hij eenen schipper van Medenblick genaempt Cornelis ........., hem biddende dat hij hem wilde wederom naer Hollant voeren, ende dat hij hem voor sulcx daer te Calis voor tollick dienen wilde, dat hem die schipper thoe seyde; hij hadde wel mogen met andere schippers varen, maer indie schepen regneerde die sieckte vant romelisoen te seere, daer hij al voor vervaert was, want seer veel volcx daer aft storuen;dese plage was indie schepen gecomen door die groote stanck vandie Portugiesen diese in Barbarien gevoert hadden, die welcke onder wegen van alle den tijt datse scheep hadden gelegen haer gevoegh int sant vandie ballast gemaeckt hadden, also dat vandie grote stanck die sieckte vant romelisoen onder scheepsvolck van die schepen ontstack, daer ettelicke hondert bootsgesellen ende oock schippers van storven. Ende den jongen voer also weederom naer Hollant in companie van ontrent 20 schepen, die ontrent Calis al met sout geladen waren. Comende bijt eylant Heysant souden met een geweldige storm, haddet Godt niet wonderlicken versien, daer altemael op geseilt hebben, doch die wint ruymbde een weinich dat die schepen daer bouen seylden, ende was inde nacht ende geraeckten doen voort met de hulpe Gods in Hollandt, Texel binnen, wesende inde maent van October 1578. Ende die schipper bedanckt hebbende is voort opgevaren naer Amsterdam ende vandaer naer Amersfoort, daer den jongen die winter ouerbleeff bij sinen oom, die blijde was dat hij sinen susters sone weederom thuis gecregen hadde, daer hij indie drie jaeren dat hij wech hadde geweest noyt tijdinge van gehoort hadde, ende verstond daer vandie doot van sijn moeder; ende die vader, wonende in Vlaenderen, was al wederom getrout met een andere vrou, dat al anderhalff jaer geleden, daer die jongen seer droeue om was dat hij nu een styffmoeder vinden soude; ende ontrent vastelauont is met consent van sijnen oom gereist naer Yperen in Vlaenderen, daer hij spoedich gecomen is bij sinen vader ende styffmoede, die wel blijde waren datse die soon gesont ende welvarende thuis gecregen hadden, ende bleeff daer tot ontrent Augusto.
.............


Noot 1: De twee data zijn gebaseerd op de volgende bronnen: Het manuscript was hoogstwaarschijnlijk bedoeld om als bijlage te dienen bij de Remonstrantie aan de Staten Generaal en Prins Maurits, afgedrukt door Tiele in dezelfde verzameling "Documenten voor de geschiedenis der Nederlanders in het Oosten" als "Avonturen", dus BMHG VI van 1883. Bovenaan op p. 276 wordt als een van de tegenargumenten van de bewinthebbers aangevoerd dat Van der Haghen "twee ofte drie jaeren geswegen" zou hebben, dwz na diens terugkeer uit "de Oost" op 29 april 1606. De remonstrantie werd in de vergadering der Staten Generaal van 11 augustus 1611 behandeld (zie "Resolutien der Staten Generaal", p 452)

2234